Bijbelvertalen is vakwerk. En je doet het nooit helemaal goed. Ik ben geen professionele bijbelvertaler, maar wel een geschoolde gebruiker met een gezonde verslaving. Bijna elke week ben ik er wel een keer mee bezig. En dan loop je tegen dingen aan.

Elke week kies ik de bijbelvertaling waaruit zondag in de kerkdienst voorgelezen gaat worden. Die vertaling zet ik netjes op papier voor de lector, kolommetrisch uitgeschreven en in een duidelijke letter. Meestal pas ik wel wat kleine dingen aan. En daar begint dan een frustratie die ik hier toch maar een keer uitschrijf, want die ‘kleine dingen’ beginnen steeds groter te worden.

Mijn voorkeur ligt bij de Naardense bijbel, het levenswerk van Pieter Oussoren. Hij benadert de grondteksten met professionele kennis en afstand, maar toch vooral als heilige Schrift. Zijn vertaling is zeker niet volmaakt, en hij zal zelf de eerste zijn om dat toe te geven, maar, en daar gaat het mij om, in elke regel ademt het oorspronkelijke Hebreeuws en Grieks mee.

Met de Nieuwe bijbelvertaling ligt het wat anders. Daar ligt de nadruk er vooral op om ‘levend Nederlands’ te gebruiken. De gedachte daarachter is dat juist op die manier de bijbelse verhalen beter begrepen kunnen worden door hedendaagse lezers. Ik geloof daar steeds minder in. Ik vind het steeds meer een brave taal voor nette burgers. En natuurlijk past dat, want wij Nederlandse bijbellezers zijn voor het grootste deel ook keurige burgers.

Maar dan gaat er iets verloren dat essentieel is voor heilige Schrift: dat het je oproept en op het andere been zet, dat het je wakker schudt uit je dagelijkse tredgang en je aanspreekt, dat het een perspectief opent dat veel verder reikt dan die georganiseerde maatschappij waarin wij ons verschansen. In de omkering, de ambiguïteit, de aanspraak en tegenspraak zit juist het heilige. Zoals in: ‘Mozes, je ziet gewoon zand, stenen en onkruid, maar dit is heilige grond’ (Exodus 3,4-5).

Afgezien van de vraag of een vertaling goed lopend Nederlands oplevert, moet het een hoofdzaak zijn om juist de onregelmatigheden, de woordverbindingen, de dubbele bodems en de struikelwoorden uit de grondtalen zoveel mogelijk te laten meeklinken. Ook de structuur van de verzen, waarin herhaling en parallellie zo belangrijk zijn, mag in de vertaling niet verdoezeld worden. Want alleen dan wordt de lezer uitgedaagd om vragen te stellen, om heen en weer te bladeren van kaft tot kaft, om boos te worden of zeer getroost, om uit de woorden die opgeschreven staan een eigen, levend verhaal te leren lezen. Bijbeltaal is geen dagelijkse taal en moet dat ook niet proberen te zijn.

En precies daar laat de Nieuwe bijbelvertaling mij voortdurend in de steek. En niet alleen mij, want onlangs vroeg een gemeentelid of we ‘die babbelvertaling’ nou niet eens konden wegdoen. Maar uiteraard struikelen anderen weer over ‘die moeilijke’ Naardense bijbel.

Ik geef ter vergelijking twee, min of meer willekeurige, voorbeelden. Eerst de openingsverzen van de bijbel, dan een vers dat, na enkele gelijkenissen, uitloopt op het verhaal van de ‘storm op het meer’ (die eerder een storm op zee blijkt te zijn).

Genesis 1,1-2

De Naardense bijbel:

Bij begin
is God gaan scheppen,-
de hemelen en het aardland.

Het aardland
is in z’n geschieden geworden
woestheid en warboel,
en duisternis
op het aanschijn van de oervloed,-
en geestesadem van God
wervelend
over het aanschijn van de wateren.

Dat begint meteen al vreemd: ‘bij begin’ – waarom geen lidwoord? Heel gewoon: omdat het er niet staat, noch in het Hebreeuws, noch in de Griekse vertaling, de Septuagint. En daarop wees in de 11e eeuw Rashie al in zijn commentaar. Het gaat dus niet om een historische of wetenschappelijke verklaring omtrent het ontstaan van de wereld. Rashie: ‘De Bijbel leert niets betreffende de orde van hetgeen vroeger of later geschiedde [bij de schepping].’ Vandaar ook ‘de hemelen’ in het meervoud, terwijl er boven de aarde echt maar één ‘hemel’ staat.

Het tweede vers klinkt vreemd in de oren: ‘in z’n geschieden geworden’?? Maar dat is ook precies hoe het begint: vreemd en met ‘woestheid en warboel’. Dàt is ‘de duisternis’. Het merkwaardige is ook dat ‘aarde’ en ‘water’ er al zijn voordat God die schept. Hier wordt meteen aan het begin duidelijk gemaakt dat ‘scheppen’ niet gaat over een enkel historisch feit ergens aan het begin van de tijdbalk, maar dat het iets is dat altijd voortduurt. Het maakt ook duidelijk dat er een ‘afgrond’ is (‘abyssus‘ in de Latijnse bijbel) – hier als ‘oervloed’ vertaald – waarvan het geschapene onderscheiden moet worden. Chaos en ordening. En ‘een geest van God’ ‘wervelt’ daarboven. Of dat nu een geruststelling is? Of dat die ‘geest’ op een of andere manier zelf verbonden is met die ‘oervloed’? Vragen. En zou de mens, die pas helemaal aan het eind van het verhaal verschijnt, zelf ook iets moeten doen aan dat voortgaande scheppingswerk?

De kolommetrische indeling van de vertaling volgt nauwkeurig de masoretische accenttekens in de Hebreeuwse tekst, zodat de structuur van zinnen en verzen zichtbaar blijft. Je kunt ook zien dat de eerste ‘perikoop’ doorgaat tot aan vers 5 (de dikke rode punt). Het gebruik van de tegenwoordige tijd, in plaats van de gebruikelijke verleden tijd, zorgt er ook voor dat de woorden meer hier en nu klinken.

Dan de Nieuwe bijbelvertaling:

In het begin schiep God de hemel en de aarde.

De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.

Dat klinkt een stuk vertrouwder. Maar juist door dat vertrouwde ‘het begin’ zitten we voor we het weten met die onnozele discussie over ‘schepping of evolutie’. En daarover gaat het hier niet, zoals Rashie al wist. Toch kan het vanzelfsprekende gebruik van de verleden tijd wel die suggestie in de hand werken. Er is hier ook maar één ‘hemel’ en dat klopt netjes met ons wereldbeeld. Maar waar zijn dan die andere zes of acht ‘hemelen‘ gebleven?

Ook het tweede vers klinkt vertrouwder en vooral geruststellender. Weliswaar is de aarde ‘nog woest en doods’ (waar staat dat ‘nog’ in het Hebreeuws?), ‘maar’ gelukkig zweeft ‘Gods geest’ al bezwerend ‘over het water’. Eerst chaos, maar dan komt er zeker orde. De bijbel zegt het. Hier heb ik geen vragen meer, want alles komt toch wel goed.

De vertaling volgt wel de volgorde van het Hebreeuws, maar omdat het in goedlopend Nederlands en zonder kolommetrie wordt weergegeven, is die structuur niet meteen te herkennen voor de lezer.

Kortom, ik vind de Nieuwe bijbelvertaling niet fout, zeker niet, maar het brengt dat vreemde oerverhaal te gladjes naar mij toe. Het zet mij niet aan tot vragen en zeker niet tot handelen. Want God heeft dat ‘in het begin’ allemaal al geregeld.

Markus 4,1

De Naardense bijbel:

Weer begint hij te onderrichten,
langs de zee;
er verzamelt zich bij hem
zo’n zeer talrijke schare,
dat hij in een boot stapt
en (daarin) gaat zitten, op de zee;
en heel de schare, zij zijn bij de zee
op het land geweest.

Driemaal klinkt het woord ‘zee’ (thalassa in het Grieks). Dat is keurig vertaald. Alle woordenboeken van het klassieke Grieks leggen dat helder uit: 1) zeewater, zeegolven; 2) zee, oceaan; 3) zoutwaterbron (op de Akropolis). Maar dat is raar, want het verhaal speelt zich af bij het Meer van Galilea en dat is noch zee, noch zout. Het staat er zelfs driemaal: ‘langs de zee’, ‘op de zee’, ‘bij de zee’. Dat kan niet toevallig zijn. De kolommetrische weergave van de tekst laat de herhaling van het woord ook duidelijker zien.

Het zet mij dus aan het bladeren in de bijbel. Waar vind ik die zee, dat grote water? En dan komen al snel de ‘wateren’ en de ‘oervloed’ uit Genesis 1 in beeld. De zee is dat waarin mensen ten onder gaan, de chaos die het leven bedreigt en scheppen onmogelijk maakt. Deze mooie plek aan het meer – echt mooi, ik ben er geweest – heeft dus een dreigende ondertoon. In het vervolg van het verhaal gaat Jezus de mensen ‘onderrichten’, met de gelijkenissen van de zaaier en het mosterdzaadje. Zo brengt hij ordening aan en zinsverband. Maar het hoofdstuk besluit met het verhaal van de storm – welbeschouwd dus een storm op zee, ook al zitten ze in letterlijke zin op een binnenmeer.

Dan de Nieuwe bijbelvertaling:

Weer ging hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om hem heen staan. Daarom ging hij in de ​boot​ op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan.

De zee is hier verdwenen en netjes vervangen door ‘het meer’. En de derde keer wordt zelfs ‘het meer’ uit de vertaling weggelaten. Het is ook niet nauwkeurig om te vertalen dat Jezus ‘naar het meer’ gaat ‘om te onderwijzen’, want hij gaat gewoon onderwijzen en doet dat ‘langs het meer’. Maar zo klopt het tenminste, want het verhaal speelt in Galilea en daar is een meer. Dat commentaren en woordenboeken voor nieuw-testamentisch Grieks zeggen dat thalassa ook wel ‘meer’ kan betekenen, zegt mij niet zoveel. Het Grieks heeft een eigen woord voor ‘meer’, limnè, en dat was ook bij de bijbelschrijvers bekend (zie het parallelverhaal in Lukas 8,22-25, dat daardoor een ander soort verhaal wordt). Want daarmee haal je precies de angel uit de tekst en gooi je de sleutel tot het verstaan weg. Met geen mogelijkheid vind ik als lezer de weg van dit binnenmeertje naar de oervloed van Genesis.

Wat we nu hebben is een pastoraal tafereel: Jezus gezellig lerend vanuit een bootje, terwijl de golfjes kabbelend heen en weer gaan. Alle potentiële dreiging is op voorhand geneutraliseerd en de storm aan het eind komt letterlijk uit de lucht vallen. Een verhaal dat heel dichtbij de lezer kan komen wanneer mensen zich hun eigen ‘oervloed’ realiseren, wordt nu onschadelijk gemaakt als een historische gebeurtenis, een mooi verhaal van vroeger.

Handelswaar

Een ontboezeming tot slot. Onze westerse wereld draait volledig om geld. Wat niet in geldwaarde kan worden uitgedrukt, doet niet ter zake en wie iets onder de aandacht wil brengen moet kunnen uitleggen wat de prijs ervan is, of hoeveel kosten het bespaart. Noem het kapitalistisch, of neoliberaal, of gewoon materialistisch. Maar dat haalt wel de waarde weg van heel veel zaken. Want de belangrijkste zaken in het leven hebben waarde, geen prijs.

Uiteraard is het gewoon zo dat dingen betaald moeten worden, ook bijbelvertalers, drukkers, boekhandelaren, websites, IT-infrastructuur enz. Maar ik vind dat het te ver doorslaat. Voor het NBG is de bijbel – voor gelovigen toch in de eerste plaats heilige Schrift – handelswaar geworden. Zie alle marketingtaal op de bijbelwebsite, zie het feit dat de klant op z’n wenken bediend wordt met een revisie van de Nieuwe bijbelvertaling.

Wilt u toch liever eerbiedshoofdletters? Liever geen alternatief voor het mannelijke HEER? Moeten we her en der nog wat schaven aan een formulering? Dat gaan wij regelen! En dan verkopen we u graag die nieuwe versie. Zelfs de woorden van het Onze Vader, die ik in de nieuwe vertaling erg mooi vond en, ondanks gemopper in de gemeente, volhardend heb gebruikt in de afgelopen jaren, mag wel weer worden bijgewerkt. Hebt u toch graag de duivel beter in beeld? Dan schrijven we ‘Kwaad’ wel met een hoofdletter. Alsof er, bijbels gesproken, naast de ENE nog enige macht zou zijn die ook een hoofdletter verdient.

Ik mopper niet omdat Nederlanders dat nu eenmaal doen. Dit gaat mij aan het hart. Maar ik zal ook zelf mijn weg wel vinden. Steeds meer zonder de Nieuwe bijbelvertaling, dat wel.

Bijbelvertalingen
Getagd op: