‘Ons domi’

In Oost-Groningen heet de dominee nog steeds ‘domi’. Want als je van een woord een lettergreep kunt weglaten, moet je dat in het Gronings nooit nalaten. Zo voelt het voor mij meestal ook: ‘ons domi’. Maar het heeft iets dubbels. Want het betekent zowel dat de predikant ‘een van ons’ is, maar tegelijk ook dat hij zich dan ook moet gedragen naar wat ‘ons’ ervan vindt. Het gevreesde spectrum van onuitgesproken of botsende verwachtingen doemt al op.

Hoe sta ik daar zelf in? Ik doe dit werk nu een kwarteeuw en het emeritaat komt in zicht. Was ik in Schotland gebleven dan zou dat eind dit jaar zijn gekomen. Maar Nederlandse boekhouders rekenen altijd zuiniger dan Schotse, dus duurt het nog tot najaar 2023. Inmiddels voelt predikantschap zowel als mijn natuurlijke leefwijze, als een steeds zwaarder wordende taak. Op mijn leeftijd is het altijd maar drie dagdelen doorwerken echt wel voorbij. De vergadervrije avonden van afgelopen jaar waren mij een zegen. Tijd om eens terug te kijken en een balans op te maken.

Persoonlijk

Voor ik dominee werd was er, afgezien van mijn eigen weg daarnaartoe, het nodige zielsonderzoek. In de predikantsopleiding werd er kritisch gereflecteerd op je toekomstige rol, vooral in de seminarieweken aan het slot ervan. De Gereformeerde Kerken hadden zelf al veel eerder een ‘geschiktheidscommissie’ op ons studenten losgelaten, terwijl de Nederlandse Hervormde Kerk dat tegen het eind op haar manier herhaalde. Nadat we alle selecties en tests hadden doorstaan, kwam er op de oude gereformeerde route alsnog een classicaal kerkelijk examen. En in de eerste jaren van het predikantswerk was er (toen nog wel) de werkbegeleiding. Alles bij elkaar was de boodschap duidelijk: het werk van een dominee is anders dan al het andere, zo niet Gans Anders. Wel zuur dat ondanks al die filters er nog geregeld iemand doorkwam waarvan we onder elkaar al zeiden dat het een probleem zou worden.

Evenzogoed, omdat ik zowel de gereformeerde als de hervormde kerkelijke opleiding volgde, ging ik als waarschijnlijk meest uitvoerig geteste en goedbevonden predikant na het eerste jaar finaal onderuit. De botsende verwachtingen waren een belangrijk punt, maar vooral de vraag wie ik zelf nu was in die rol van predikant. Tegenwoordig heet dat een burn-out. Nooit verstandig om het daarop aan te laten komen, maar ik ben er duidelijk sterker van geworden.

Ik vond het spoor van de (geaarde) spiritualiteit. Gaandeweg leerde ik accepteren dat dominee zijn een roeping is, iets waarvan ik aanvankelijk niet wilde horen. Zeker anders, maar toch ook niet wezenlijk verschillend, dan bijvoorbeeld boer zijn. Een zijnswijze, een leefstijl. Maar die stijl moet je eerst zelf ontdekken. Die heb ik inmiddels allang gevonden, maar dat blijkt dan weer te wringen met de functionele opvatting die de PKN in de praktijk hanteert. Het zij zo.

Een ambt

Een ambt is iets dat je doet voor, maar vooral namens, de gemeenschap. In mijn geval de kerkelijke gemeenschap. Je doet het zelf, maar het vertegenwoordigt tegelijk iets groters. In mijn geval iets als geloven, bidden en werken. Over ‘het ambt’ wordt zeker nog gepraat in de kerk, maar het is een beetje een droogzwemoefening geworden. Want in de praktijk gaat het bijna altijd over taken, doelen, werkpercentages, ‘professionalisering’ en vooral over kosten. Maar laat ik mijn stijl van domi-zijn eens leggen langs de orthodoxe meetlat van het drievoudig ambt: koning, priester, profeet.

De koning is de bestuurder. Dat heeft mij nooit gelegen. Het is een onvermijdelijk deel van het predikantswerk, maar veel te vaak wordt een dominee geperst in de rol van kerkelijk manager. ‘We vergaderen tot wij vergaderd worden,’ zei een collega. Een jaargenoot van mij afficheert zich als ‘religieus ondernemer’ – jakkes. Na een jaar kerkewerk zonder noemenswaardige vergaderingen weet iedereen nu dat alles zonder dat ook prima, zo niet beter, kan draaien. De belangrijkste keuzes worden niet gemaakt aan vergadertafels, maar aan keukentafels, werkbanken en schooltafeltjes. En natuurlijk als mensen samen wandelen. Zoals iemand ooit schreef: ‘Overigens ben ik van mening dat alles beter zou lopen als er meer werd gelopen’. De Goese pelgrimsgroep die ik op de valreep opstartte, liep in jaarlijkse etappes helemaal naar Keulen en onderweg gebeurde er van alles. Ik beloof plechtig dat ik met het emeritaat zeker zal blijven wandelen, maar als het even kan nooit meer vergader.

De priester was in mijn jeugd een rooms-katholieke vrijgezel die zich ’s zondags kleedde in gewaden en dan vuur en rook verspreidde. Overigens was er meestal een bel die je daar tijdig voor waarschuwde. In mijn studietijd was dat al veranderd in een bemiddelaar tussen het hemelse en het aardse. Maar omdat zo’n bemiddeling volgens de klassieke protestantse theologie nergens voor nodig is, hield ik angstvallig afstand. De kerkordelijk verplichte handoplegging bij de bevestiging in het ambt was voor mij al een serieuze drempel – die achteraf reuze meeviel, sterker nog: het was iets bijzonders.

Geleidelijk heb ik geleerd ook priester te durven zijn. Dat gaat goed zolang je onthoudt dat het een rol is, geen persoonlijke eigenschap. Als Marien moet ik niet zomaar ergens beginnen te bidden of een kruisje maken op iemands voorhoofd. Als dominee Marien kan dat wel. Net als drinken: geniet van het moment, maar doe het met mate. Bidden doe ik vaak aan het slot van een pastoraal gesprek, nooit zonder het eerst te vragen, maar kruisjes op voorhoofden gaan mij nog steeds moeilijk af, ook al heeft bisschop Bob in Aberdeen het mij zelf geleerd (dat is inmiddels bisschop Anne geworden). Bidden heb ik eigenlijk geleerd in Schotland, gewoon in de praktijk van een stadsparochie.

Los van rituelen als bidden of zegenen, zit mijn priesterschap vooral in de liturgie: voorgaan in het samen zingen, bidden, bijbellezen, brood en wijn delen, stil worden. En mijn specifieke rol daarin is het uitleggen van wat we in de bijbel lezen. Aanvankelijk was mijn uitleg nogal didactisch en exegetisch, maar dat is gegroeid tot een meer homiletische benadering die zoekt naar wat er achter, tussen, in en boven de woorden zit. Daarbij kijk ik altijd naar het Hebreeuws en Grieks dat aan de Nederlandse tekst voorafgaat.

En dan het ambt van profeet. Jezelf profeet noemen staat bijna gelijk aan jezelf meteen diskwalificeren. Goed, bij mijn vertrek uit mijn eerste gemeente zeiden anderen dat de profeet nu vertrok, maar dat voelde voor mij heel raar. Tegelijk een compliment en iets heel ongemakkelijks. Toch klopt het wel. Ik ben vaak degene die radicaal kritiek geeft. Die het neoliberale kapitalisme of de obsessie met gezondheid een afgod noemt. Die de kerk verwijt dat ze haar roeping heeft ingeruild voor maatschappelijke aanpassing en haar grondstructuur heeft verminkt tot een centralistisch bureaucratisch apparaat (dat er bovendien een handje van heeft broddelwerk te leveren). Die kerkelijke leiders verwijt dat ze gemakzuchtig kiezen voor onschadelijke vroomheid en daarbij de Joodse wortels en de radicaliteit van hun eigen heilige Schrift en geloof verwaarlozen. Ook iemand die graag gelooft in de mogelijkheid om in deze tijd en deze wereld een levende geloofsgemeenschap te zijn. Toegegeven: een kritische gemeenschap.

Niet dat ‘men’ zit te wachten op dit soort boodschappen. Ik hoor het vaak (of via-via natuurlijk): ‘Droom maar lekker door.’ ‘Je ziet het veel te zwart.’ ‘Wat moet ik met die negativiteit? We moeten toch positief denken?’ Het zijn stuk voor stuk uitvluchten om de boodschap te vermijden. Het is onuitsprekelijk vermoeiend om tegen zo’n bierkaai te vechten (en goed bier is ook meer waard). Toch is het kennelijk een rol voor mij. Een rol die waarschijnlijk niet ophoudt met emeritaat. Het zij zo.

In de gemeente en in de kerk

Mijn eerste gemeente was een stevige leerschool. Mijn tweede een oase. De drie jaar bij de Iona Community werden een keerpunt. Daarna werd ik echt dominee, eerst in de Church of Scotland, daarna opnieuw in de Protestantse Kerk in Nederland. Maar een echt kerkmens ben ik nooit geworden.

Alles draait om wat er concreet gebeurt (of juist niet) tussen gelovigen. Concreet betekent daarom altijd in de eerste plaats lokaal. De gemeente dus. De Gereformeerde Kerken waarin ik opgroeide waren volledig op die leest geschoeid. De Nederlandse Hervormde Kerk (die ik formeel toch ook nog vier jaar diende) had een bredere kerkopvatting met bovenplaatselijk een hele structuur van colleges en raden. Maar ook dat was concreet werk van concrete mensen.

Dat zag ik in de afgelopen decennia in rap tempo vervliegen. Plaatselijk is de kerk vergrijsd, verindividualiseerd en ook gewoon geseculariseerd. De leergierige, betrokken kerkleden met een stevig eigen geloof zijn steeds kleiner in aantal en langzamerhand te oud geworden. Het randschrift ‘God met ons’ verdween van de munt, maar in de kerk draait het steeds meer om munten en dan vooral het tekort daaraan. Bovenplaatselijk bleef alleen een hoofdkantoor over dat, net als de centrale organisaties van ouderenbond, kankerfonds of fietsersbond, een eigen versie van de kerkelijke werkelijkheid construeert en het concrete contact met de breedte van de gemeenten in ernstige mate verloren heeft. (Oeps, daar is de profeet weer – en dan komt vanzelf ook de boze tegenspraak.) Landelijk wordt er ‘beleid’ bedacht dat vervolgens plaatselijk ‘uitgerold’ mag worden. De nieuwste trend is om te zeggen ‘dat dominees heel belangrijk zijn’. Ja, dank je de koekoek, om als lokale zetbazen die landelijke plannen en producten te verkopen.

In de gemeente – een zoekende kudde van oudere schapen en een enkele jongere, maar altijd weer met gouden verrassingen – vind ik mijn weg nog wel. Iets meer nog aan of over de rand ervan. Daar vind ik geloof en inspiratie. Maar van wat daarboven zit ben ik eigenlijk al afscheid aan het nemen. Nogmaals: het zij zo.

En dan de theologie nog

Theologie – de wetenschap der heilige godgeleerdheid – is de oudste academische discipline, samen met rechten en medicijnen, maar waarschijnlijk ook degene met het laagste zelfbeeld. Want ze kan geen harde data aanvoeren als grondstof voor haar onderzoek. Van haar hoofdthema, God, kan ze het bestaan niet bewijzen (evenmin als het niet-bestaan trouwens) volgens de regels van ‘harde’ wetenschap. Niemand lijkt nog te luisteren naar wat theologie te zeggen heeft over deze aarde en wie daarop wonen. Hooguit wat ethische kanttekeningen worden welwillend aangehoord, maar even gemakkelijk terzijde geschoven.

Ik kom weinig collega’s tegen die zich hardop theoloog noemen. De academische theologie voltrekt zich grotendeels los van de kerk. Ze probeert vooral ‘relevant’ te zijn, maar wordt ook voortdurend in de wielen gereden door de dodelijke rattenrace om middelen en mensen waaraan politiek en samenleving de hele universitaire wereld hebben uitgeleverd. In mijn opleiding was het nog duidelijk dat de Heer bij de schepping Hebreeuws sprak, maar kort daarna overgegaan moet zijn op het Duits. Want in die taal werd theologie geschreven die de moeite waard was om te lezen. Vandaag is alles Engels. En Engels betekent veel te vaak: pragmatisch.

Veel van wat zich vanuit die hoek presenteert als ‘theoloog’ of ‘theologie’ is in feite niet meer dan assimilatie met de heersende materialistische cultuur. En dat betekent dat alles draait om rationele constructies en vooral om succes en maakbaarheid. ‘Theologie’ reduceert zich zo in feite tot verkooptechniek en management, waarbij ‘geloof’ een product wordt waarmee mensen hun voordeel kunnen doen.

Theologie wil graag ‘toepasbaar’ zijn en ‘relevant’ voor het draaiend houden van een kerk. En gemakshalve (of gewoon gemakzuchtig) valt ze terug op ‘dat wat de kerk altijd geleerd heeft’, ofwel het klassieke schema van schepping, zondeval en verlossing door het bloed van Christus, uitlopend op een eeuwig leven in het hiernamaals. Een schema dat de breedte en diepte van de christelijke traditie gevaarlijk versmalt en bovendien sterk historiserend in elkaar zit. Men reikt daarmee hooguit tot het uti van Augustinus – dat God voor de mens iets doet, van nut is – maar laat het frui verder los – dat we van Gods aanwezigheid onvoorwaardelijk mogen genieten. Dat is de dood in de pot. Theologie – het denken (logos) over God (theos) – gaat per definitie over dat wat groter is dan alles wat gedacht kan worden – het id quo maius cogitari non potest van Anselmus.

Ik ga hier geen schets geven van hoe het wel zou moeten. Dat kan ik niet, ik ben ook maar gewoon domi. Maar het zou in ieder geval een voortdurend en voortgaand gesprek moeten zijn met vele stemmen, met stevige discussie, met barsten en gedichte scheuren, met meer dan het gewone en gewoon gezond verstand, met wijsheid en een verlangen naar waarheid. Een gesprek in de kerk en erbuiten, evengoed als op de universiteit.

Het emeritaat geeft mij opnieuw tijd voor studie. Eerst maar eens mijn middeleeuws Latijn uit de motteballen halen. En dan flink aan de slag met de vergeten bronnen van zowel rooms-katholiek als protestant: de vroege middeleeuwen. En laat dat nu ook meteen een prachtig excuus zijn om kamperend heel Europa door te trekken langs wat er materieel nog te vinden is van die oude tijden. Want ook dat materiële is zeker van belang.