Onopgeefbaar of onvergeeflijk?

Jeruzalem, Westelijke muurDe Protestantse Kerk is volgens haar kerkorde (Art. I-7) ‘onopgeefbaar verbonden met het volk Israël’. En daarover laait de discussie weer eens op. Dat is te zeggen, ‘oplaaien’ is te sterk, want ik merk er weinig van dat het thema veel voorgangers of kerkleden aan het hart gaat. Mij wel en daarom wijd ik er hier toch maar een artikel aan. Want de discussie dreigt meteen al in een oude maar hardnekkige denkfout te verzanden.

Waar gaat de discussie over?

Recent werd de Nederlandse vertaling gepresenteerd van een boek van de Palestijnse bevrijdingstheoloog Munther Isaac, The Other Side of the Wall. Lees hier een recensie. Daar sprak ook de scriba van de PKN, René de Reuver. Hij zei o.a. dat ‘we als Protestantse Kerk te lang stil zijn geweest bij het schrijnende onrecht dat Palestijnen, onder wie veel christenen, dagelijks ervaren’.

Dat is zeker waar. Tenminste tot aan de Zesdaagse Oorlog in 1967 zag Nederland ‘de’ Joden als slachtoffers en ‘dus’ was iedereen vóór de stichting van de staat Israël. Na de Jom Kipoer-oorlog in 1973 begon dat te veranderen en zeker na het gruwelijke, drie dagen durende bloedbad in Sabra en Shatila in 1982, verschoof de nationale sympathie grotendeels naar de Palestijnen. Want nu waren zij de slachtoffers.

Bij alles wat daarna gebeurde werd Israël gezien als de agressor en dat werd ook in toenemende mate Joden buiten dat land aangerekend. Ofwel: het millennia-oude antisemitisme was weer terug van nooit echt weggeweest, ook in ons zich moreel hoogstaand wanende vaderland. Misschien is de definitie van Shimon Peres wel de bruikbaarste: ‘Een antisemiet is iemand die meer hekel aan Joden heeft dan nodig is.’

In het licht van al deze ontwikkelingen wil de PKN nu haar visie op ‘het Israëlisch-Palestijnse conflict’ opnieuw ‘herijken’. De wens daartoe komt vooral van Kerk in Actie dat via diakonale projecten betrokken is bij het werk in Israël en Palestina. Munther Isaac is verbonden aan het Rossing Center for Education and Dialogue, waar een van die projecten draait.

Tot zover geen onheil. Uiteraard moet de PKN steeds opnieuw haar positie bepalen, want de ontwikkelingen in het Midden-Oosten staan nooit stil. Of ze zich als kerk moet mengen in de Gordiaanse knoop van de politiek aldaar, vraag ik mij af.  Maar vanuit haar geloof een standpunt kiezen moet zeker. Dus kan het geen kwaad als ze ‘in overleg met allerlei betrokkenen’ die nota uit 2008 gaat herzien.

Maar…

Onwillekeurig maar onontkoombaar moeten kerkmensen nu gaan kiezen. Kiezen gaat altijd ergens tussen en dat wordt dan nu tussen Israëli’s en Palestijnen. Want de officieel beleden ‘dubbele solidariteit’ is inmiddels zo etherisch geworden, dat die weinig meer zegt.

Anderen gaan meteen een stap verder en willen de onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël uit de kerkorde verwijderd zien. Sommigen gooien in één moeite door ook alle heroriëntering op de Joodse wortels van het christelijk geloof over de kerkmuur. Academici betwisten de noodzaak van een Israëltheologie.

We zijn nog zeker niet toe aan het ‘ontjoodsen’ van de liturgie of de bijbel, maar ik word hier erg onrustig van. Waar gaat het heen? Susannah Heschel, dochter van Abraham Joshua Heschel, mailde mij een aantal jaren geleden dat zij zich zeker wel zorgen maakte. Ze schreef The Aryan Jesus: Christian Theologians and the Bible in Nazi Germany (2008) en ze weet dus waarover ze het heeft. En in het verleden is er wel vaker ten onrechte geroepen dat het allemaal wel meeviel.

De politieke, economische en sociale situatie in Israël en Palestina is uitermate gecompliceerd. Kijk bijvoorbeeld de documentaire-reeks Het beloofde land terug om weer te weten hoe verschillend Nederlandse Joden zelf daar tegenaan kijken. Het laatste wat de kerk moet doen is zich voor het karretje laten spannen van het ene of het andere narratief.

Helaas, waar voorheen te gemakkelijk de Israëlische zienswijze werd gevolgd, gebeurt nu stilzwijgend – want daarover discussiëren geeft maar onrust – het omgekeerde. Nu geldt het Palestijnse verhaal als maatgevend. En veel te vaak komen we dan terecht in een simpel dader-slachtoffer verhaal. Dat klopt in elk geval niet.

Hoe kan de kerk dan nog spreken, laat staan kiezen? Waar ik voor vrees is dat er in feite politieke standpunten worden gewogen, die vervolgens worden voorzien van een vrome verantwoording. En dan haal je twee categorieën door elkaar en verwar je twee soorten taal.

‘Onopgeefbaar verbonden’ gaat in de eerste plaats om het Joodse geloof van Jezus en de apostelen, de spirituele en theologische bron. Daaruit is het christendom voortgekomen, maar uit dezelfde bron kwam ook het rabbijnse jodendom voort. Dat schept een band tussen het hedendaagse christendom en jodendom die van een heel andere orde is dan de verbondenheid tussen Nederlandse kerken en Palestijnse christenen. Ook als Joden of Palestijnen daar anders over denken.

Wat is de denkfout?

En daar zit de denkfout. Er is descriptieve taal en evocatieve taal. De eerste is absoluut overheersend in de westerse wereld. Dat is de taal van de wetenschap en de taal van digitale superstructuren. Alles wordt gevangen in data, in 0 en 1. Je noemt man en paard, je geeft alles een naam, je zegt wat je denkt, enzovoort. En dat moet altijd duidelijk zijn en te verdedigen. Prima als het inderdaad gaat om concrete zaken, om ‘ietsen’. Dit is de taal waarmee je de wereld organiseert en bestuurt, de taal van politiek en markt. Ik zou dit letterlijke taal willen noemen.

Maar evocatieve taal werkt anders. Die kent meerduidigheid, paradoxen, beeldspraak, poëzie. Ze beschrijft de werkelijkheid niet zozeer als dat ze zelf een werkelijkheid oproept. Dat is de taal die je nodig hebt om iets te zeggen dat boven het niveau van de ‘ietsen’ uitstijgt. Juist daar gaat het om de werkelijke vragen van goed en kwaad, waarheid en leugen, leven en dood, trouw en ontrouw, liefde en onverschilligheid. Dat is daarom ook de taal die het meest kwetsbaar is. Ze kan makkelijk worden weggezet als onwerkelijk of virtueel. Maar ik zou dit meer-dan-letterlijke taal willen noemen. Want dit is de taal van geloof en theologie.

Die twee moet je te allen tijde goed onderscheiden. Tegelijk kunnen ze nooit zonder elkaar. Zonder meer-dan-letterlijke  taal wordt alles platgeslagen en versimpeld, zonder letterlijke taal komen zaken in de lucht te hangen.

In de discussies in de PKN rond die onopgeefbare verbondenheid lopen die twee echter voortdurend door elkaar. Wie profetische bijbelwoorden zomaar toepast op de staat Israël gebruikt evocatieve taal, maar slaat die plat tot beschrijvende. De profetie wordt gereduceerd tot een voorspelling – en die is dan nu uitgekomen. Of nog niet, omdat Jezus eerst nog moet wederkeren. Theologische armoede vind ik dat.

Maar wie omgekeerd het perspectief van Palestijns slachtofferschap als ijkpunt kiest, doet het omgekeerde. Beschrijvende taal wordt gebruikt om theologische keuzes te maken. Theologische overmoed noem ik dat. En dan wordt de kerkordelijk beleden verbondenheid eerder onvergeeflijk. Zoals jonge Palestijnse christenen onlangs ook letterlijk zeiden bij hun bezoek aan Nederland.

Munther Isaac beklaagt zich dat Nederlandse christenen door een theologische bril naar Joden kijken en door een liefdadigheidsbril naar Palestijnen. En dan zijn Joden en Palestijnen niet gelijkwaardig, zegt hij. Ik vind dat nogal misleidend gesteld.

Wanneer het gaat over verbondenheid met het volk Israël gaat het juist om een theologische bril. Het gaat over heilige Schrift, verbond, God de ENE, enzovoort. Alles wat wij leren van de Joodse bronnen van ons christelijk geloof. Dat is theologie en liturgie. Dat vereist evocatieve taal. Die taal staat niet los van het Joodse volk of de staat Israël, maar die moet daarvan wel onderscheiden worden.

De problemen in Israël en Palestina zijn politiek, economisch, sociaal en militair van aard. Daar heb je inderdaad die beschrijvende taal nodig. Maar daar is de kerk niet voor. Wat de kerk voorzichtig mag doen is eerst heel goed luisteren naar die wereldse discussies en dan zoeken naar woorden en beelden die alles in een wijder perspectief zetten. Oplossingen zoek je in concrete, letterlijke taal, maar voor hoop en toekomst heb je iets anders nodig: meer-dan-letterlijke taal.

Dat laatste mag de PKN gaan proberen: het wijdere perspectief zoeken. Tegelijk mag ze onrecht concreet benoemen. Maar laat ze alsjeblieft op tijd haar mond houden. Zodat ze geen theologische taal verwart met concrete. En andersom.

(En tussen haakjes: wil de kerk dan in haar terechte kritiek op onrecht in Israël en Palestina ook wat eerlijker en consequenter zijn naar onze Amerikaanse vrienden toe, met hun grenshekken en racisme? Of naar onze gewaardeerde zakenpartners in Rusland of China? Om maar wat te noemen.)

Die verbondenheid is inderdaad onopgeefbaar en ‘Israël’ is óók een theologische categorie. Maar de staat is een staat – zij het wellicht iets minder gewoon dan andere, omdat werkelijk de hele wereld er met argusogen naar kijkt. Dat ‘Israël’ moet als staat behandeld worden. Laat dat dan ook over aan staatslieden.

‘De’ Palestijnse christenen

En dan moet mij nog een ergernis van het hart. Het gaat steeds maar over ‘de’ Palestijnse christenen, die bovendien rechtstreeks verbonden worden met ‘het’ Israëlisch-Palestijnse conflict. Zie de zg. IP-nota uit 2008.

Palestijnse christenen in Israël en Palestina vormen een heel kleine minderheid. Cijfers lopen uiteen, maar het gaat om niet meer 2-3% van de Palestijnse bevolking, enkele tienduizenden mensen. Van hen is het overgrote deel Oosters-orthodox of Oosters-katholiek. Zij laten zich niet horen in dat gesprek met ‘de’ Palestijnse christenen. De rest is verdeeld over een spectrum van protestantse kerken, kerkjes en gemeenten dat nog vrij aardig de Westerse oorsprong ervan weerspiegelt.

Het zijn theologen uit dat minieme deel van een kleine minderheid waarmee de Nederlandse kerken spreken. Hoezo ‘de’ Palestijnse christenen? Spreken wij met ‘de’ Nederlandse kerken als we langsgaan in Urk en Staphorst? Voor de goede orde: bij allebei mijn bezoeken aan Israël heb ik nadrukkelijk gesproken met ‘de’ Palestijnse christenen.

En voor de duidelijkheid: als Nederlandse christenen hun Palestijnse broeders en zusters vragen stellen over de vervangingstheologie, zijn ze niet bezig hen te belasten met een westers probleem, zoals Isaac beweert. Integendeel, ze vragen naar de kern van de zaak. Want anti-judaïsme en antisemitisme zijn echt geen exclusief westers probleem.